The Office

Wie wel eens de Britse serie The Office heeft gezien, kent misschien de aflevering waarin de nieuwe collega’s kennis maken met David Brent. Om te laten zien wat een toffe peer hij is neemt hij ze mee naar de plaatselijke pub, alwaar zich tenenkrommende situaties voordoen. Kern van het verhaal is dat niemand hier zin in heeft, behalve de baas.

Een soortgelijke scene voltrok zich naast me toen ik in Cahors zat te lunchen (zie dag 13). Er kwamen zeven mensen aangelopen, die een lange tafel wilden hebben om te lunchen. Eén van hen overduidelijk de leiding; een man van een jaar of veertig, flink gebruikt, gesoigneerde stoppelbaard, strak in het pak, stropdasje om. De rest van de groep was wat kleurloos. Voordat de ober goed en wel een plekje aan ze had toegewezen was de leider al met tafels aan het schuiven en gebaarde hoe zijn collega’s – want dat waren het – hem konden helpen. Uiteindelijk zat iedereen, met een kaart voor zijn neus. Op dat moment schoof collega nummer acht aan. Hij keek een beetje bangig rond en kon tot zijn zichtbare opluchting op een plaatsje helemaal op de hoek van de tafel gaan zitten. Op maximale afstand van de leider.

Iedereen aan de tafel keek een beetje verveeld of afwezig om zich heen. Behalve één: de leider. Die praatte, praatte en praatte. Tegen niemand in het bijzonder, maar zijn mond stond niet stil. Breed gebarend met zijn armen vertelde hij hele verhalen. De vrouw links van hem glimlachte uit beleefdheid af en toe eens wat ongemakkelijk. De jongere man tegenover hem zag ik geregeld met zijn hoofd knikken. De rest van de disgenoten keken of er nog ergens vogeltjes zaten, of hun nagels wel goed schoon waren of maakten een nauwkeurige studie van het dessin van het tafellaken. De leider liet zich daar niet door weerhouden – als hij het al in de gaten had. Hij vertelde het ene verhaal na het andere en had zelf de grootse lol. Ik zag de jongere collega nu ook af en toe lag, althans, ik bezag hem op zijn rug en af en toe schokten zijn schouders. Maar aan de andere kant van de tafel waren inmiddels smartphones verschenen in de handen van de collega’s. Ze begonnen zich ongegeneerd terug te trekken op facebook of wat dan ook. Behalve de leider kauwde iedereen in stilte zijn eten weg en toen het op was, sprongen ze één voor één op en excuseerden zich. De leider en de jongere collega bleven als laatsten over, met de rekening. De leider breed grijnzend – hij leek een geweldige tijd te hebben gehad – de jongere collega kijkend als een geslagen hond.

Dag 18 de Pyreneeën

Oloron – Roncevalles

Oordoppen
In alle vroegte verliet ik het lelijke plaatsje Oloron. Na een ontbijt met Bernard (uit Brussel) – mijn kamergenoot – en een paar Franse dames, een hartelijk afscheid en een “buen camino!” ging ik op pad. Ik moest nog even goed wakker worden, want Bernard had vannacht menig boom doorgezaagd. Wat kon die snurken! Lang leve de oordoppen.

Panne
Ik verwachtte een pittig dagje, eindelijk de Pyreneeën in. Vandaag de Col d’Osquich, morgen de Puerta de Ibañeta. Maar eerst moest ik nog een vlak stukje door het dal. Door prachtig mooie dorpen, zoveel mooier dan Oloron. In één van die dorpen reed ik echter wat hard over een drempel, waarna ik een slag in mijn wiel had (dacht ik). In het beroemde pelgrimsplaatsje Hospital Ste. Blaise stopte ik even om te controleren wat er mis was, maar behalve een knik in het wiel zag ik niks raars. Het twaalfde eeuwse kerkje is overigens indrukwekkend.

IMG_0725.JPG

Ik fietste dus verder, een beetje bobbelend, en nam me voor om in St. Jean Pied de Port, mijn einddoel voor vandaag, een fietsenmaker op te zoeken. Ik had het nog niet besloten of mijn wiel liep tegen de remblokken aan. Nadere inspectie wees uit dat ik geen slag in mijn wiel had, maar dat de band uit de velg was gelopen. Had ik hem gisteren te hard opgepompt? Raar, want ik had er inmiddels wel al ruim vijftig km op gereden. Maar goed, ik speelde even voor bicycle repair man en kon mijn reis voortzetten.

De eerste echte col
De gevreesde Col d’Osquich bleek een eitje. Ik was boven voordat ik het in de gaten had en genoot van het schitterende uitzicht. Fietsen in de Pyreneeën betekent ook uitzicht op een fantastisch landschap.

IMG_0730.JPG

IMG_0726.JPG

Vlak voor de top vlogen vijf adelaars vlak over mijn hoofd. Snel griste ik mijn camera uit mijn tas en klikte op goed geluk. En waarempel, ik zie net dat ik er één op heb staan:

IMG_0729.JPG

Te vroeg op de eindbestemming
Daarna ging het lekker omlaag en een beetje vlak naar st. Jean Pied de Port. Ik arriveerde daar al om 12.15 u. Ik werd er nogal overvallen door de drukte. Volgens mij zat er een nest pelgrims én een nest toeristen. Het is een mooi plaatsje, dat wel, maar ik zag het niet zo zitten om daar de nacht door te brengen. Bovendien had ik nog de hele middag, de benen waren goed, dus ik besloot de Puerta de Ibañeta er maar meteen achteraan te doen.

En daar ben ik blij om. Wat mooi zijn de Pyreneeën. Langs klaterende beekjes, door bossen en in de volle zon langs grazige weilanden koerste ik naar boven. Mijn training op de Mont Ventoux en in de Dentelles de Montmirail wierp zijn vruchten af, want zonder een centje pijn fietste ik naar boven. Het was echt heerlijk.

IMG_0740.JPG

IMG_0746.JPG

IMG_0742.JPG

Ibañeta en Roncevalles
De Puerta de Ibañeta wordt ook wel Roelandspas genoemd omdat hier het leger van Karel de Grote in de rug werd aangevallen door de Moren, toen het zich uit Spanje terugtrok. Ridder Roeland (of Roland) had de leiding over de achterhoede en vond bij die aanval de dood. Boven op de pas staat een monument ter nagedachtenis van hem.

IMG_0743-0.JPGi

Ik overnacht in het klooster van Roncevalles. En niet allen. Hier zijn werkelijk honderden pelgrims van alle nationaliteiten. De Amerikanen zijn het meest dominant aanwezig. Ze praten net iets harder dan de rest. Eerlijk gezegd moet ik er best wel aan wennen, na ruim twee weken van intense rust.
Ik bezocht hier een pelgrimsmis. Dat was erg mooi, want de vele Spanjaarden ( die zijn er natuurlijk ook) zongen elk lied uit volle borst mee. Na de mis ging ik mijn fiets in de fietsenstalling zetten en ontmoette daar een hospitalero uit Schin op Geul of all places. De man was blij dat hij weer eens lekker plat kon praten geloof ik.

Tot slot, voordat ik ga eten: zo ziet mijn slaapplek er uit

IMG_0749.JPG

Dag 17 saai

Maubourguet – Oloron-Ste. Marie

De etappe van vandaag ging richting de Pyreneeën. Hier zie ik eigenlijk al twee weken naar uit. Het betekende vanaf het begin bergop fietsen. Dat ging wel lekker, maar ik vond de omgeving helemaal niks. Ik had me verheugd op mooie uitzichten, maar het was eigenlijk een aaneenschakeling van rommelige boerderijen, dorpen en landschappen. Ook de dorpen die ik passeerde stelden weinig voor. In Morlaas staat wel een kerk met een indrukwekkende ingang. Op de foto zie je een reeks eenden, die verwijzen naar de oudste pelgrimsroute naar Santiago, de Sterrenweg.

IMG_0699-0.JPG

Na Morlaas miste ik een afslag en in plaats van om Pau heen te rijden, via twee pelgrimsplaatsen, reed ik er dwars doorheen. Best een mooie stad, maar erg druk om met je fietsje doorheen te karren. Het bood me wel de kans om bij de fietsenmaker mijn bandjes weer eens goed op te pompen. Dat was dringend nodig, maar met zo’n klein handpompje dat ik bij me heb lukt dat toch niet echt goed.

De weg via Pau bleek ook een heel stuk korter dan de beoogde route, zodat ik na flink wat klimmen om 14.00 u al in Oloron – Ste. Marie aankwam. Daar vond ik een mooie pelgrimsgite. Om mezelf van wat gewicht te ontdoen voordat ik de Pyreneeën over ga, stuurde ik mijn tent en slaapmatje met de post naar huis. Ik ben benieuwd of dat veel scheelt in de bergen, het gaat om 3,5 kg.

Ik had me heel wat voorgesteld van Oloron – Ste. Marie. Het is toch een heel bekende plaats op de pelgrimsroute, de laatste bevoorradingsplaats voor de pelgrims die de Somportpas over gaan. Maar het valt me tegen. Het is rommelig, op veel plaatsen lelijk en er rijden veel te veel auto’s. Alle straten zijn gevuld met autoverkeer, hoe smal die straten ook zijn. Maar, de kathedraal is schitterend. Ook hier weer een schitterend portaal.

IMG_0710.JPG

Grappig detail zijn twee Moren die een pilaar dragen. Om eraan te herinneren dat Karel Martel de Moren versloeg bij Poitiers:

IMG_0708.JPG

Morgen naar Saint Jean Pied de Port en dan zondag naar Spanje.

Een Chrisme. Een wat? Een Chrisme

In Biran (dag 16) kwam ik wat interessants tegen: een Chrisme. Ik had het nooit eerder gezien. Het is een cirkel waarin een X en een P te zien zijn, die in de Griekse spelling de eerste twee letters van het woord Christus vormen (XPISTOS). Verder zijn er een A en een O in te zien (alpha en omega), die verwijzen naar het begin en het einde (de apocalyps).

IMG_0680.JPG

Dag 16 Lectoure – Maubourguet

Afscheid
Na een warm afscheid van mijn fietsmaatje Claude Bonaventura, de andere pelgrims waar ik gisteren een geweldige avond mee had en de gastvrouwen Simone en Christine, stapte ik op mijn fiets en rolde in een heerlijk zonnetje de berg af. Ik verheugde me op weer een lekkere warme zuid-Franse dag. Maar helaas.

De mist in
Ik was nog geen drie kilometer verder of ik reed een mistbank in. Dacht ik tenminste. Ik heb dat op deze tocht al vaker gehad, dat ik de mist in rijd om honderd meter verder weer on de zon te rijden. Zo niet vandaag. Vijfenvijftig kilometer verder reed ik nog in de mist. Het werd zelfs zo mistig dat ik maar een meter of tien voor me uit kon zien. Het zicht werd verder beperkt door de druppeltjes die neersloegen op mijn bril. Elke kilometer moest ik die even droog wrijven. Op een gegeven moment dacht ik de weg kwijt te zijn. Tenminste, volgens mijn gegevens zou ik in een dorpje moeten zitten en dat was niet zo. Ik stopte even om wat beter op de kaart en mijn gereden kilometers te kunnen kijken – en om en passant mijn bril te poetsen – en besloot om toch maar even op goed geluk verder te fietsen. En werkelijk, vijfentwintig meter verder zat ik in het dorp. De mist was zo dicht, dat ik de huizen en het bord gewoon niet had kunnen zien. Al met al zag ik ook niks van de omgeving waar ik doorheen ging en maakte dus ook geen foto’s.

Een parel
Behalve in Biran. Dat ligt wat hoger en de mist was daar minder dicht. Toen ik kwam aanrijden liep het hele dorp uit. Niet voor mij trouwens, maar voor de slager die tegelijk met mij kwam aanrijden in zijn bus. Het gaf mij de gelegenheid om te zien dat de gemiddelde leeftijd in Biran ver boven de zestig ligt. Waarvan akte.

Maar Biran is werkelijk een pareltje. Het heeft maar één ingang en als je daar doorheen bent bevindt je je ineens in een magnifiek, volledig intact middeleeuws stadje. Echt schitterend. Het hoogtepunt is het marmeren retabel in de kerk, een meesterwerk uit de Renaissance.

IMG_0688.JPG

IMG_0687.JPG

IMG_0689.JPG

IMG_0684.JPG

Uitstervende dorpen
Na Biran dook ik de mist weer in, op weg naar Montesquiou, alwaar volgens mijn boekje zowel een winkeltje als een bar zouden zijn. Bij binnenkomst van het dorp zag ik al dat dat achterhaald was. De boulangerie was dichtgespijkerd, het supermarktje stond leeg en het tankstation doet nu dienst als vuilstort. Maar: er was nog een bar. Een soort huiskamer met een tapkast. Ik streek neer op het terras, waar nog twee fietsers gingen zitten. Ik had hen vlak voor het dorp ingehaald. Het waren twee Nederlanders uit Arnhem, die vol bepakt onderweg waren naar Lourdes. Daar gaan ze de Pyreneeën-challenge rijden voor een goed doel Ride4kids. We hadden een leuk gesprek, dronken koffie en gingen daarna weer onze eigen weg.

Aankomst in Maubourguet
In Marciac kocht en at ik mijn lunch op het mooie stadsplein.

IMG_0695.JPG

Daarna verschalkte ik nog drie pittige kuitenbijters en arriveerde in Maubourguet. Het plaatsje stelt niet zoverel voor, maar er zijn wel allerlei voorzieningen. En: het was dit jaar startplaats van de Tour de France!

IMG_0696.JPG

Bij het Office de Tourisme kreeg ik de sleutel van het Chalet Pelerin, waar ik voor een kleine vergoeding kan verblijven. Er is plek voor zes, maar ik ben alleen. Vandaag ben ik overgestoken van de drukke pelgrimsroute die start in Le Puy en Velay naar de route die start in Arles. Die laatste blijkt veel rustiger te zijn, ik ben nog niet één wandelaar tegengekomen vandaag, terwijl het er gisteren tientallen waren.

De pastorie in Lectoure

Ik schreef gisteren dat ik ging overnachten bij de pastorie in Lectoure (zie dag 15). Het woord overnachten doet echter tekort aan mijn verblijf daar. Ik kwam er ongeveer tegelijk aan met Claude en met twee wandelaars. We werden met een glaasje fris ontvangen door twee gastvrouwen: Simone en Christine.

IMG_0673.JPG

Ze wezen ons onze slaapzaal en de douches. Daarna werd ons vriendelijk maar dringend meegedeeld: “om 19.00 u soep”. Ik vroeg wat daar de bedoeling van was en de bedoeling bleek te zijn dat de dames voor ons gingen koken, net zoals ze in de ochtend een ontbijt voor ons zouden verzorgen. Daarvoor werd geen prijs gerekend, slechts een donativo (vrijwillige bijdrage).

Toen Claude en ik even voor zeven uur terug binnen kwamen, waren er inmiddels nog vijf andere pelgrims gearriveerd. We werden met zijn allen aan tafel uitgenodigd en daar kwam de soep. Overheerlijke groentesoep. Daarna volgden nog drie gangen, elk vergezeld van rijkelijk vloeiende streekwijn. We hadden allerlei geanimeerde gesprekken aan tafel en ik schakelde steeds gemakkelijker van Frans (vanwege de 9 Fransen aan tafel) naar Duits (vanwege de één Duitse tafelgenoot) naar Engels (omdat een paar Fransen in die taal met de Duitse probeerden te communiceren). Uiteindelijk was ik de tolk. En ik werd nog even collectief uitgelachen vanwege de Nederlandse keuken: diegenen die in Nederland waren geweest vonden dat helemaal niks. Abominable! Na het eten zongen we samen een Sint-Jacobslied. Om de gezelligheid nog even vast te houden wasten we samen af en rolden daarna met een vol buikje het bed in. Vanochtend weer op, terwijl de geur van verse koffie al langs de trap naar boven walmde. Kortom, een plek om nooit te vergeten.

En dan heb ik het nog niet eens gehad over het gebouw zelf. Honderden jaren oud, met plafonds van negen meter hoog en deuren waar ik me moest bukken. Werkelijk schitterend.

IMG_0674.JPG

Dag 15 een warme dag

Vanuit Vazerac doorkruiste ik een saaie omgeving. Het was vlak, kaal, kortom er was niks te zien vanaf de fiets. Na 20 km was daar echter het klooster van Moissac. Dat is echt schitterend. Ik nam ruim de tijd om klooster en kerk eens goed te bekijken.

IMG_0646.JPG

IMG_0645.JPG

Daarna reed ik door naar Auvillar. Het landschap begon weer mooi te worden. Eerst reed ik een tijdje langs een kanaal en daarna de Garonne. Dat was typisch een weggetje dat Toine wel leuk zou vinden om te fietsen: lekker vlak. Het was een smal kanaal. Maar ook dat moet uitgebaggerd worden zo nu en dan. Dan gebruiken ze gewoon een klein baggerschuitje:

IMG_0656.JPG

Daarna kwamen er weer heuvels op mijn weg met pittige klimmetjes en prachtige vergezichten.

IMG_0665.JPG

IMG_0666.JPG

Auvillar is ook weer zo’n prachtig stadje. Hier een paar foto’s:

IMG_0659.JPG

IMG_0661.JPG

In Auvillar kwam ik Claude weer tegen. Hij was langs een hele andere weg gekomen dan ik, maar we gingen wel beiden naar Lectoure. Hij vertelde me dat daar alle pelgrimsgites vol zaten , omdat er zoveel mensen onderweg zijn. Hij had echter nog een plekje geregeld bij de pastorie. Ik belde daar ook en kon ook nog terecht. Daar zit ik nu, in een schitterend middeleeuws gebouw.

IMG_0671.JPG

Dag 14 Rocamadour – Vazerac

Heerlijk uitgerust begon ik aan een dagje klimmen. Vanuit Rocamadour ging het meteen langs de rotswand omhoog. Ik vertrok samen met Claude, waarmee ik gisteravond in de keuken had gezeten. Claude rijdt van Le Puy naar St. Jean Pied de Port, een oude Franse Jacobsroute. Twee jaar geleden is hij van bij hem thuis in Oloron St. Marie naar Compostela gefietst. Nu rijdt hij elk jaar een ander stuk route.

IMG_0628.JPG

We werden meteen getrakteerd op een schitterend plaatje van Rocamadour bij zonsopkomst.

IMG_0626.JPG

Halverwege de tweede klim besloten Claude en ik afscheid van elkaar te nemen. Ons tempo was te verschillend, ten gevolge van het verschil in leeftijd en in fiets. Daarna reed ik dus weer in mijn eentje. Langs smalle weggetjes met aan de ene kant een steile rotswand en aan de andere kant een ravijn. Het uitzicht was wederom zeer fraai.

IMG_0630.JPG

IMG_0633.JPG

Mijn eerste pauze hield ik in Labastide Murat, een oud vestingstadje. Maar ik merkte ineens dat ik wat cultuurmoe was. Ik had helemaal geen zin om weer door smalle straatjes te slenteren en duizend jaar oude kerkjes te bezichtigen. Het landschap daarentegen bleef ik de hele weg adembenemend vinden. Ik stopte daarom wat vaker buiten de dorpen dan er in. In Cahors maakte ik een uitzondering. Daar trakteerde ik mezelf op een flinke lunch. Het terras zag er gezellig uit, het zat vol met Fransen (meestal een goed teken) en vrijwel iedereen bestelde de plat du jour. Dat deed ik dus ook maar. Helaas. Wat een smakeloze hap. Wel veel koolhydraten en andere voedingsstoffen, dus ik at mijn bordje netjes helemaal leeg.

Cahors is een mooie stad. Oud, veel te zien, veel café’s en terrassen. Erg gezellig. Het hoogtepunt is de Pont Valentré, die met hulp van de duivel is gebouwd. Tijdens de bouw stortte de brug steeds in, waarna de duivel te hulp kwam. Onder voorwaarde dat de bouwmeester zijn ziel zou afstaan aan de duivel als de brug klaar was. Vervolgens ging het goed met de bouw. Maar, de bouwmeester was slim: hij liet een steen weg in de middelste toren, zodat de brug nooit klaar zou zijn. Zijn ziel was gered. Op de plek van de weggelaten sten zit nu een duivelskopje.

IMG_0642.JPG weggelaten steen zit

IMG_0641.JPGnu

IMG_0643.JPG

De wegen rondom Cahors waren trouwens een drama. De laatste tien kilometer vóór de stad gingen over een soort kasseienstrook. Het was weliswaar asfalt, maar het wegdek bestond uit een aaneenschakeling van klodders asfalt met elk een doorsnee van ongeveer veertig centimeter. Toen ik in de stad van mijn fiets stapte trilde ik helemaal, tintelden mijn handen en waren mijn nieren, darmen en andere organen bezig om hun oorspronkelijke plek terug te vinden. De stad uit was het wegdek glad, maar reed ik over een soort snelweg. Vrachtwagens, auto’s, ze raasden allemaal volle gas langs me door, op enkele centimeters afstand van mijn dunne bandjes.

Het landschap begon steeds droger te worden. Het lijkt hier op de Provence en de Cevennen. Het weer paste er ook goed bij, het werd steeds heter. Ik was blij toen ik bij mijn beoogde overnachtadres aankwam. Daarvoor moest ik nog even een hellinkje bedwingen met een stijgingspercentage dat zo groot was, dat ik er lopend op moest. Tevergeefs: er was geen levende ziel te bekennen. Ik belde het telefoonnummer van de gite, maar dat was niet meer in gebruik. Kon ik nog tien kilometer verder fietsen, daar was een camping.

Gelukkig kon ik daar wel terecht. Een prachtige camping – met Nederlandse eigenaren – en ze was helemaal leeg. Ik stond er alleen, met mijn tentje op een heel groot, leeg, grasveld. Normaal komen er alleen Nederlanders en die waren nu allemaal naar huis. Na deze week sluit de camping voor de winter.